Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
-aĉ ongunstig uiterlijk: domo = huis domo = krot
-ad voortdurende handeling of herhaling: paroli = spreken paroladi = een rede houden
vizitado = herhaald bezoek
-aĵ voorwerp:

uiting:
mola = zacht
porko = varken
amiko = vriend
molo = zacht ding
porko = varkensvlees
amiko = vriendendienst
-an bewoner, lid of aanhanger: Afriko = Afrika
klubo = club
afrikano = Afrikaan
klubano = clublid
-ar verzameling: arbo = boom arbaro = bos, woud
-cĵ mannelijke koosnaam: Vilhelmo = Wim/Willem Vilĉjo = Wimpie
-ebl mogelijk, ...baar: vidi = zien videbla = zichtbaar
-ec eigenschap, abstractie: juna = jong juneco = jeugd (het jong zijn)
-eg vergroting/versterking: varma = warm varmega = heet
-ej plaats: lerni = leren lernejo = school
-em gewoonte: babili = babbelen babilema = praatziek
-end noodzakelijk zijn: fari = doen farenda = wat gedaan moet worden
-er kleinste onderdeel: akvo = water akvero = druppel
-estr hoofd, chef ŝipo = schip ŝipestro = kapitein
-et verkleinwoord: ridi = lachen rideto = glimlach
-i land: belgo = Belg Belgio = België
-id afstammeling: reĝo = koning
ŝafo = schaap
reĝido = prins
ŝafido = lam
-ig maken: morto = dood mortigi = doden
-iĝ worden, in een toestand komen: ruĝa = rood ruĝi = rood worden, blozen
-il werktuig: tranĉi = snijden
flugi = vliegen
tranĉilo = mes
flugilo = vleugel
-in vrouwelijke vorm: onklo = oom onklino = tante
-ind het waard zijn: admiri = bewonderen admirinda = bewonderenswaardig
-ing houder voor één voorwerp: plumo = pen plumingo = penhouder
-ism leer: sociala = sociaal socialismo = socialisme
-ist beroep: instrui = onderwijzen instruisto = onderwijzer
-nj vrouwelijke koosnaam: patrino = moeder panjo = Mama, Mammie
-uj container, volledige houder
(soms boom of land):
sukero = suiker sukerujo = suikerpot
-ul persoon met de eigenschap: riĉa = rijk riĉulo = rijkaard
-um onbepaald: plena = vol plenumi = vervullen