Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
bo- verwantschap door het huwelijk: patro = vader bopatro = schoonvader
dis- verspreiding naar alle richtingen: ĵeti = werpen disĵeti = uiteenwerpen, verstrooien
ek- beginnende of kortstondige handeling: kanti = zingen ekkanti = aanheffen
eks zoals ex-    
fi- ongunstige eigenschap: viro = man fiviro = schurk
ge- beide geslachten: patro = vader gepatroj = ouders
mal- tegengestelde betekenis: riĉa = rijk
fermi = sluiten
malriĉa = arm
malfermi = openen
mis- verkeerd, onjuist: uzi = gebruiken misuzi = misbruiken
pra- zoals oer-: tempo = tijd
avo = grootvader
pratempo = oertijd
praavo = overgrootvader
ook "omgekeerd": pranepo = achterkleinzoon
re- opnieuw; terugkerende handeling: veni = komen
legi = lezen
reveni = terugkomen
relegi = herlezen