Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
babil/i babbelen
bak/i bakken
bala/i vegen
balbut/i stotteren
baldaŭ spoedig
ban/i baden ov
banan/o banaan
bank/o (geld)bank
bar/i versperren
barb/o baard
barel/o vat, ton
baston/o stok
bat/i slaan
batal/i vechten
baz/o basis, grondvest
bazar/o markt
beb/o baby
bedaŭr/i spijt hebben, betreuren
bek/o snavel
bel/a fraai
ben/i zegenen
benk/o (zit)bank
ber/o bes
best/o dier, beest
bezon/i nodig hebben
bicikl/o fiets
bien/o landgoed
bier/o bier
bild/o afbeelding, plaatje
bilet/o kaartje
bind/i (boek)binden
bird/o vogel
blank/a wit
blek/i blaten, enz.
blind/a blind
blov/i blazen
blu/a blauw
bluz/o blouse
boat/o boot
boj/i blaffen
bol/i koken oov
bon/a goed
bor/i boren
bord/o oever
bot/o laars
botel/o fles
bov/o rund
brak/o arm
branĉ/o tak
brav/a dapper
bret/o plank
brik/o bouwsteen
bril/i schijnen
broĉ/o broche
brod/i borduren
bros/o borstel
broŝur/o brochure
brov/o wenkbrauw
bru/i lawaai maken
brul/i branden oov
brun/a bruin
brust/o borst
buĉ/i slachten
bud/o kraam, stal
buked/o boeket
burĝ/o burger
burĝon/o (bloem)knop
buŝ/o mond, bek
buter/o boter
butik/o winkel
buton/o knoop, knop
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z