Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
ĉagren/i bedroeven, ergeren
ĉambr/o kamer
ĉap/o pet
ĉapel/o hoed
ĉapitr/o hoofdstuk
ĉar want, omdat
ĉarm/ bekoorlijk
ĉarnir/o scharnier
ĉarpent/i timmeren
ĉas/i jagen
ĉast/a kuis, eerbaar
ĉe bij, aan
ĉef/o chef, hoofd
ĉel/o cel
ĉemiz/o (over)hemd (lijfhemd = subĉemizo)
ĉen/o ketting
ĉerp/i putten, scheppen
ĉes/i ophouden, stoppen oov
ĉiel/o hemel
ĉirkaux ongeveer, om, omstreeks
ĉu maakt een zin vragend
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z