Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
fabel/o sprookje
fabl/o fabel
facil/a gemakkelijk
faden/o draad
fajf/i fluiten
fajr/o vuur
fak/o vak
fakt/o feit
faktur/o rekening
fal/i vallen
fald/i vouwen
fals/i vervalsen
fam/o gerucht, faam
famili/o gezin
fanfaron/i pochen
fantazi/o fantasie
fantom/o spook
far/i doen, maken
fart/i z. voelen
farun/o meel
fast/i vasten
favor/a gunstig
fe/o geest (in sprookjes)
febr/o koorts
fel/o dierenvel
feliĉ/a gelukkig
fend/i splijten ov
fenestr/o venster
fer/o ijzer
ferdek/o scheepsdek
feri/o vrije dag
ferm/i sluiten
fervor/o ijver
fest/i vieren
fianĉ/o verloofde
fid/i vertrouwen
fidel/a trouw
fier/a trots
figur/o afbeelding
fiks/i vastmaken, vaststellen
fil/o zoon
film/o film
fin/i beëindigen
financ/o financiën
fingr/o vinger
firm/a vast
fiŝ/o vis
flag/o vlag
flam/o vlam
flank/o zijkant
flar/i ruiken, snuiven
flav/a geel
fleg/i verzorgen
flor/o bloem
flu/i vloeien, stromen
flug/i vliegen
fluid/a vloeibaar
flut/o fluit
foj/o keer, maal
foli/o blad
fond/i stichten
font/o bron
fontan/o fontein
for weg, heen
forges/i vergeten
fork/o vork
form/o vorm
forn/o oven, kachel
fort/a sterk
fot/i fotograferen
fotel/o fauteuil
frap/i kloppen
frat/o broer
fraz/o zin (tekst)
fremd/a vreemd
frenez/a krankzinnig
freŝ/a fris, vers
fromaĝ/o kaas
front/o voorkant
frost/i vriezen
fru/a vroeg
frukt/o vrucht
fuĝ/i vluchten
fulm/o bliksem
fum/o rook
fund/o bodem
fundament/o grondslag
funkci/o functie
furioz/a woedend
fuŝ/i verknoeien
futbal/o voetbal
futur/o toekomst
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z