Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
kadr/o lijst, kader
kaf/o koffie
kaĝ/o kooi
kaj en
kaj/o kade, perron
kajer/o schrift
kalendar/o kalender
kalkul/i rekenen, tellen
kalson/o onderbroek
kalumni/i lasteren
kamen/o schoorsteen
kamer/o camera
kamp/o veld
kan/o riet
kandel/o kaars
kant/i zingen
kap/o hoofd, kop
kapabl/a in staat tot, bekwaam
kapt/i vangen
kapuĉ/o capuchon
kar/a lief, duur
kares/i liefkozen
kart/o kaart
kas/o kas, geldbak
kased/o cassette
kastel/o kasteel
kaŝ/i verbergen
kat/o kat
katen/o keten, kluister
kaŭz/i veroorzaken
ke dat (voegwoord)
kel/o kelder
kelk/a enige, sommige
kelner/o kelner
kest/o kiest
kilogram/o kilogram
kilometr/o kilometer
kis/i kussen, zoenen
klar/a helder, klaar
klas/o klas(se)
klav/o toets
kler/a knap, ontwikkeld
klin/i buigen, ov
klopod/i trachten
klub/o club
knab/o jongen
kobold/o kabouter
kok/o haan
koks/o heup
kol/o hals
kolbas/o worst
kolekt/i verzamelen
koler/i boos zijn
kolomb/o duif
kolor/o kleur
kom/o komma
komand/i bevelen
komb/i kammen
komenc/i beginnen ov
komerc/i handeldrijven
komfort/o comfort
kompani/o gezelschap
kompar/i vergelijken
kompat/i medelijden hebben
kompost/i letterzetten
kompren/i begrijpen, verstaan
komput/i berekenen (met toestel)
komun/a gemeenschappelijk
komunik/i meedelen
kon/i kennen
koncern/i betreffen
kondamn/i veroordelen
kondiĉ/o voorwaarde
konduk/i begeleiden
kondut/i z. gedragen
konfes/i bekennen
konfid/i (toe)vertrouwen
konfirm/i bevestigen
konfuz/i verwarren ov
kongres/o congres
konklud/i concluderen
konkret/a concreet
konsci/o bewustzijn
konsent/i toestemmen
konserv/i bewaren
konsider/i beschouwen
konsil/i raadgeven
konsist/i (el) bestaan (uit)
konsol/i troosten
konstant/a constant
konstru/i bouwen
konsult/i raadplegen
konsum/i verbruiken
kontakt/i contact hebben
kontent/a tevreden
kontinent/o werelddeel
kontor/o kantoor
kontraŭ tegen(over)
kontribu/o bijdrage
kontrol/i nagaan, controleren
konven/i passen, uitkomen
konversaci/o conversatie
konvink/i overtuigen
kopi/o kopie
kor/o hart
korb/o korf, mand
korekt/i corrigeren
korespond/i corresponderen
kork/o kurk
korp/o lichaam
korpus/o korps
kort/o hof, binnenplaats
korupt/i omkopen
kost/i kosten
kostum/o klederdracht
kot/o modder
kotiz/o contributie
kovert/o envelop
kovr/i bedekken
kraĉ/i spugen
krad/o traliewerk
krajon/o potlood
kramp/o haak, kram
kran/o kraan
krani/o schedel
kravat/o (strop)das
kre/i scheppen (kunstwerk)
kred/i geloven
krem/o room
kresk/i groeien
kret/o krijt
krev/i barsten
kri/i schreeuwen
kribr/i zeven, ziften
krim/o misdaad
kroĉ/i (aan)haken
Kristnasko Kerstmis
krom behalve
kroz/i rondvaren
kruc/o kruis
kruĉ/o kruik
krud/a ruw, onbewerkt
kruel/a wreed
krur/o been, poot
krut/a steil
kubut/o elleboog
kudr/i naaien
kugl/o kogel
kuir/i koken ov
kuk/o koek
kul/o mug
kuler/o lepel
kulp/o schuld
kultur/i bebouwen
kun met
kunikl/o konijn
kupon/o coupon, kaartje
kupr/o koper
kur/i hardlopen
kurac/i genezen ov
kuraĝ/a moedig
kurb/a krom, bochtig
kurs/o cursus
kurten/o gordijn
kusen/o kussen
kuŝ/i liggen
kutim/i gewoon zijn
kuv/o tobbe
kuz/o neef
kvadrat/o vierkant
kvalit/o kwaliteit
kvankam ofschoon, hoewel
kvant/o hoeveelheid
kvazaŭ alsof
kverel/i ruzie maken
kviet/a rustig, kalm
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z