Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
maĉ/i kauwen
magi/o toverkunst
majest/o majesteit
majstr/o meester in een vak
makul/o vlek, smet
malgraŭ ondanks
malic/a boosaardig
man/o hand
manĝ/i eten
manier/o manier
mank/i ontbreken
mantel/o mantel, jas
mar/o zee
marĉ/o moeras
mard/o dinsdag
mark/o merk, zegel
marŝ/i lopen
martel/o hamer
mas/o massa
mastr/o meester, baas
maŝin/o machine
maten/o ochtend
material/o materiaal
matur/a rijp
mebl/o meubel
medi/o milieu
mejl/o mijl
melk/i melken
mem zelf
membr/o lid, ledemaat
memor/i z. herinneren
mend/i bestellen
mensog/i liegen
menu/o menu
merit/i verdienen, waard zijn
merkred/o woensdag
met/i plaatsen, zetten
metal/o metaal
meti/o ambacht
metod/o methode
metr/o meter
mez/o midden
mezur/i meten ov
miel/o honing
migr/i zwerven
miks/i menten
milit/i oorlog voeren
minac/i bedreigen
minut/o minuut
mir/i z. verwonderen
mirakl/o wonder
mizer/o ellende
mod/o mode
modem/o modem
moder/a matig
modern/a modern
modest/a bescheiden
mok/i spotten
mol/a zacht
moment/o ogenblik
mon/o geld
monaĥ/o monnik
monat/o maand
mond/o wereld
monitor/o beeldscherm
mont/o berg
montr/i tonen, aanwijzen
mor/o zede, gewoonte
moral/o moraal
mord/i bijten
morgaŭ morgen
mort/i sterven
motor/o motor
motrocikl/o motorfiets
mov/i bewegen ov
muel/i fijnmalen
mult/a veel
mur/o muur
mus/o muis
muskol/o spier
mustard/o mosterd
muŝ/o vlieg
mut/a zwijgend
muze/o museum
muzik/o muziek
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z