Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
naci/o volk
naĝ/i zwemmen
najbar/o buurman
najl/o spijker
nask/i baren
natur/o natuur
naŭz/i doen walgen
naz/o neus
ne niet, nee
nebul/o nevel
neces/a nodig
neĝ/o sneeuw
nek noch
nep/o kleinzoon
nepr/a volstrekt
neŭtral/a neutraal
nev/o neef (oomzegger)
nigr/a zwart
nivel/o pijl, niveau
nobl/a edel
nokt/o nacht
nom/o naam
nombr/o aantal, getal
nord/o noorden
normal/a gewoon
not/i noteren
nov/a nieuw
nu welnu
nub/o wolk
nud/a naakt
nuk/o nek
nul/o nul
numer/o nummer
nun nu
nur slechts
nutr/i voeden
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z