Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
sabat/o zaterdag
sabl/o zand
sag/o pijl
saĝ/a wijs, verstandig
sak/o zak
sal/o zout
salajr/o salaris
salat/o salade
salon/o salon, zaal
salt/i springen
salut/i groeten
sam/a zelfde
san/a gezond
sang/o bloed
sankt/a heilig
sap/o zeep
sat/a verzadigd
saŭc/o saus, jus
sav/i redden
sci/i weten
scienc/o wetenschap
se indien, als
sed maar
seĝ/o stoel
sek/a droog
seks/o sekse, geslacht
sekur/a veilig
sekv/i volgen
sem/i zaaien
semajn/o week
sen zonder
senc/o betekenis
send/i zenden
sent/i voelen
serĉ/i zoeken
seri/o serie
serioz/a serieus
serpent/o slang
serv/i dienen
sezon/o seizoen
sid/i zitten
sign/o teken
signif/i betekenen
silent/i zwijgen
silik/o kiezel
simil/a lijkend op
simpl/a eenvoudig
sincer/a oprecht
sinjor/o heer
sistem/o systeem
situaci/o situatie
skatol/o doos
skem/o schema
sket/i schaatsen
skiz/i schetsen
sklav/o slaaf
skrib/i schrijven
sku/i schudden ov
sobr/a nuchter
soci/o samenleving
societ/o vereniging, gezelschap
soif/i dorst hebben
sojl/o drempel
sol/a alleen
soldat/o soldaat
solen/a plechtig
solid/a stevig
solv/i oplossen ov
somer/o zomer
son/i klinken oov
sonĝ/o droom
sonor/i luiden oov
sopir/i verlangen
sort/o lot, noodlot
sovaĝ/a wild, ongetemd
spac/o ruimte
spec/o soort
special/a speciaal
spegul/o spiegel
spekt/i toekijken
spert/a kundig
spic/o specerij
spir/i ademen
spirit/o geest
spong/o spons
sport/o sport
sprit/a geestig
spur/o (voet)spoor
staci/o station
stamp/i stempelen
stang/o stang, paal
star/i staan
stat/o toestand
statu/o standbeeld
stel/o ster
step/o steppe
stil/o stijl, trant
stomak/o maag
strang/a vreemd
strat/o straat
streĉ/i inspannen, opwinden
strik/o staking
stud/i studeren
stult/a dom
sub onder
subit/a plotseling
suĉ/i zuigen
sud/o zuiden
sufer/i lijden
sufiĉ/a genoeg
sugest/o suggestie
suk/o sap
sukces/i slagen
suker/o suiker
sum/o som, totaal
sun/o zon
sup/o soep
super boven
superstiĉ/o bijgeloof
supl/a soepel
supoz/i veronderstellen
supr/a bovenste
sur op
surd/a doof
surfac/o oppervlak
surpriz/i verrassen
suspekt/i verdenken
svelt/a slank
sven/i flauwvallen
sving/i zwaaien ov
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z