Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
ŝaf/o schaap
ŝajn/i schijnen, lijken
ŝak/o schaakspel
ŝalt/i schakelen
ŝanc/o kans
ŝancel/i doen wankelen
ŝanĝ/i veranderen ov, geld wisselen
ŝarĝ/i belasten, laden
ŝat/i waarderen, houden van
ŝaŭm/o schuim
ŝel/o schil, bast, dop, schaal
ŝerc/i schertsen
ŝild/o schild, bordje
ŝink/o ham
ŝip/o schip
ŝir/i (ver)scheuren
ŝirm/i beschermen
ŝlos/i afsluiten met slot
ŝmir/i smeren
ŝnur/o touw
ŝofor/o chauffeur
ŝov/i schuiven ov
ŝovel/i scheppen met schop
ŝpar/i sparen
ŝpruc/i spuiten, spatten oov
ŝrank/o kast
ŝtal/o staal
ŝtat/o staat, rijk
ŝtel/i stelen
ŝtof/o stof, weefsel
ŝton/o steen
ŝtop/i afsluiten met stop
ŝtrump/o kous
ŝtup/o trede
ŝu/o schoen
ŝuld/i verschuldigd zijn
ŝultr/o schouder
ŝut/i strooien, storten ov
ŝvel/i zwellen
ŝvit/i zweten
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z