Esperantosleutel
Beknopte grammatica
van het Esperanto:
Alfabet
Uitgangen
Lidwoord
Trappen van vergelijking
Telwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden
De uitgang -n
Het voorzetsel ‘je’
Werkwoorden
Woordvorming
Voorvoegsels
Achtervoegsels
Gebruik van
de sleutel
Woordenlijst:
Hoe te gebruiken
Index woordenlijst
Tabel van de correlatieven
Esperanto & Internet
 
vad/i waden
vag/i zwerven
vagon/o wagon
vaks/o bijenwas
val/o dal
valid/a geldig
valiz/o koffer
valor/i waard zijn
van/a tevergeefs
vant/a ijdel
vapor/o stoom
varb/i werven
varm/a warm
vast/a uitgestrekt
ve ! wee !
vek/i wekken
vel/o zeil (boot)
velk/i verwelken
ven/i komen
vend/i verkopen
vendred/o vrijdag
venen/o gif
venĝ/i wreken
venk/i overwinnen
vent/o wind
ventr/o buik
ver/o waarheid
verd/a groen
verk/i (boek) schrijven
verm/o worm
versi/o versie
verŝ/i gieten
vert/o kruin
vesp/o wesp
vesper/o avond
vest/i aankleden
veŝt/o (heren)vest
vet/i wedden
veter/o weer
vetur/i rijden, varen
viand/o vlees
vic/o beurt, rij
vid/i zien
vidv/o weduwnaar
vigl/a levendig
vilaĝ/o dorp
vin/o wijn
vinagr/o azijn
vintr/o winter
vir/o man
virtuoz/a virtuoos
viŝ/i wissen, afvegen
vitr/o glas, ruit
viv/i leven
vizaĝ/o gezicht
vizit/i bezoeken
voĉ/o stem
voj/o weg, route
vojaĝ/i reizen
vok/i roepen
vol/i willen
volum/o boekdeel
volv/i wikkelen
vom/i braken
vort/o woord
vost/o staart
vulkan/o vulkaan
vund/i verwonden
   
A B C Ĉ D E F G Ĝ H Ĥ I J Ĵ
K L M N O P R S Ŝ T U Ŭ V Z